De
tong (Solea solea)
Taxonomische
indeling
Rijk:Animalia (Dieren)
Stam:Chordata (Chordadieren)
Klasse:Actinopterygii (Straalvinnigen)
Orde:Pleuronectiformes (Platvissen)
Familie:Soleidae (Tongen)
Geslacht:Solea
Kenmerk:
Van alle overige platvissoorten kan tong direct worden
onderscheiden door de merkwaardige vorm : ze heeft de
vorm van een schoenzool. De bek is klein en krom, aan het
onderste deel hangen enkele baardharen.
De bovenzijde is ruw en varieert in kleur van lichtgrijs
tot zwart.
Veel vissen zijn onregelmatig gevlekt. Tong heeft een
voorkeur voor relatief ondiep water met een zand- of
modderbodem. De tong komt voor in het water van de
oostelijke Atlantische Oceaan van Zuid-Noorwegen tot aan
Senegal en vrijwel de gehele Middellandse Zee. In de winter
trekt de tong zich terug naar het iets warmere water in de
zuidelijke Noordzee.
Zijn kleine oogjes staan dicht bij elkaar aan de
rechterzijde van het lichaam. Dat geeft de vis de
mogelijkheid om half ingegraven in het zand op een
voorbijzwemmende prooi te loeren.
De tong wordt net als alle andere platvissen geboren als
een 'gewone' vis met een oog aan beide zijden van het
lichaam. De jonge tong ondergaat echter al snel -als hij
net iets groter is dan 1 cm- een metamorfose tot platvis.
Een tong kan maximaal ongeveer 70 cm lang worden.
Behalve aan de typerende lichaamsvorm kan de tong ook
gemakkelijk herkend worden aan de tastdraadjes
die zich onder aan de bek bevinden. De tastdraadjes worden
gebruikt voor het opzoeken van voedsel: vooral wormen, maar
ook kreeftachtige en schaaldieren. De kleinste tong wordt
aangeduid met de naam 'sliptong' (en dus niet 'slibtong')
naar het Engelse 'slip' dat 'klein' betekent.
Voortplanting:
Het paaien vindt plaats in het ondiepe kustwateren bij een
temperatuur van ongeveer 10 graden.
De paaitijd is van april tot juni. Behalve in de
middelandse zee bv al in februari. De tong produceert in
vergelijking met de andere platvissoorten relatief weinig
eitjes. Na 10 dagen komen de eitjes uit.
Meteen na verandering tot platvis trekken de jonge visjes
naar ondiep water waar ze op de bodem gaan leven.
Jonge tong kan ook in brak water worden gevonden. Pas na
een a twee jaar trekken ze pas verder zee is.
Familie:
Tong heeft drie ondersoorten die je als sportvisser tegen
kunt komen:
* zandtong komt voor in de kanaalkust tot in de middelandse
zee
* tongschar leeft op steen
rotsachtige bodems , komt voornamelijk voor bij de britse
eilanden en bretange.
* Hondstong komt voornamelijk voor in diep water van 100
tot 400 meter, deze vis geldt als
karakteristieke vis van de diepe noorse fjorden.
Extra:
Door de sterke overbevissing van de bestanden, werd door de
Noordzee-conventie een minimumlengte van 24cm
vastgesteld.
Experts zijn bang dat de populatie verder terugloopt als de
vervuiling van de waddenzee, belangrijkste paaigronden
van de tong , niet wordt gestopt.
Leefwijze:
Tong leef in dieptes van 10 tot 50meter op de bodems van
zand of modder. Een van de redenen waarom zo weinig
tong met de hengel wordt gevangen is de leefwijze.
Tong is uitsluitend in de schemering en s`nachts actief.
Overdag verbergen ze zich in het zand en nemen
geen voedsel tot zich. Het liefst gaat hij in het holst van
de nacht op jagerspad om voedsel op te sporen. Om toch aan
zijn kostje te komen is de tong uitgerust met een geweldig
reukzintuig.
De bek is naar verhouding erg klein, dus wanneer je erop
wilt vissen dan zul je een niet al te grote haak moeten
gebruiken. De tijd dat de tong met de hengel redelijk te
vangen is , ligt van eind mei tot ver in augustus. Wanneer
je 's avonds op tong vist, moet je eens proberen niet te
ver uit de kant te vissen.
Ik weet dat het moeilijk is om jezelf te bedwingen, maar
maak voor de verandering eens een 'kort' worpje.
Als je met twee hengels vist is het makkelijk om te kijken
waar ze zitten: vis met één hengel kort onder het kantje en
met de andere ver weg. Op een gegeven moment merk je
vanzelf op welke afstand het meeste gevangen wordt. De
aanbeet van een tong is meestal kort maar fel: een ferme
tik op de hengeltop......
en dan ineens niks meer. Bij een hengel met een soepele top
zal dit goed zichtbaar zijn.
Zorg dat de hengel niet te kort is. Vooral bij een visstek
met veel stenen werkt een langere hengel gemakkelijker
,
je kan de hengel goed hoog houden tijdens het binnen
draaien zodat de tong minder kans heeft om op het laatste
moment naar beneden te duiken.
Onderlijn:
Welke onderlijn het beste werkt is heel moeilijk te zeggen.
Mijn persoonlijke voorkeur gaat uit naar een
weegschaaltje met korte , dunne haaklijntjes. Maar een
verzwaarde onderlijn met metalen afhouders voldoet
ook prima. De haaklijntjes moeten niet te dik en niet te
lang zijn. Haaklijntjes van een centimeter of 15 is lang
genoeg.
Door de aasaanbieding plat op de grond heb je de beste
resultaten.
Haken:
Al eerder hadden we het erover dat de tong een vrij kleine
bek heeft en daarom is een redelijke kleine haak
vereist.
Neem een langstelig haakje maatje 8 met een niet te ruime
bocht.
Aas:
Zeepieren , zagers , steekzagers en kweekzagers. Zeepieren
hebben de voorkeur , liefst niet al te verse.
Vooral als de zeepieren iets ouder zijn, een paar dagen,
zijn ze prima tong-aas.
De pieren geven dan een sterkere lucht af en zijn daardoor
voor de tong zeer aantrekkelijk.
Dit betekent niet dat de pieren liggen te rotten. Ze zijn
alleen wat ouder.
Als er geen pieren te krijgen zijn: zijn zagers een goed
alternatief. De tong is een echte nachtjager en
vooral in de zomermaanden bij een aflandige wind en 'dik
water' (dat is zanderig, donkerbruin water)
zeer goed te vangen.
Lood:
Als het niet te hard /of nauwelijks stroomt kan je
rolloodje gebruiken. Als het stroomt gebruik dan een
goed
ankerlood met voldoende grip. Elk tongetje geeft een enorme
weerstand, doordat hij zijn hele lichaam krom
trekt en dus een enorme weerstand geeft in het water.
Nachtvissen is een visserij apart. Maak een lijst van
wat je mee moet nemen en neem van bepaalde dingen altijd
reserves mee(kousjes, batterijen, enz.).
Bij het nachtvissen kunnen we niet zonder licht. Een goede
petromax of Coleman benzinelamp is noodzakelijk.
Zeker op plaatsen met veel obstakels en blokken. Een beetje
verlichting om de omgeving beter te kunnen
bekijken is dan wel prettig. Ook een hoofdlampje is heel
erg handig bij het beazen van de haken.
Neem altijd voldoende reservespullen mee. Een extra
sproeiernaald, speksteentje en vooral kousjes zijn heel
belangrijk.
Vergeet ook niet het gereedschapssetje om bijvoorbeeld
losse moeren aan te kunnen draaien!
Extra batterijtjes voor je hoofdlampje en een extra
aansteker.
op deze foto zijn de schubben heel goed
te zien.
|