Schol (Pleuronectus
platessa)
Taxonomische
indeling
Klasse:Actinopterygii
Orde:Pleuronectiformes
Familie:Pleuronectidae
Geslacht:Pleuronectes
Soort:P. platessa
De schol (Pleuronectus platessa) (ook
wel pladijs genoemd) is een platte vissoort die samen met onder
andere de bot en schar tot de schol achtigen wordt gerekend,
die op hun beurt deel uitmaken van de platvissen.
De huid van de schol is aan de bovenkant bruin en hij heeft er
oranje stippen en voelt over het gehele lichaam glad aan.
De ogen van de schol zitten, zoals die van alle platvissen, ook
aan de bovenkant.
De kleine scholletjes zwemmen recht op na hun geboorte en zien
er dan ook uit als andere vissen. Na ongeveer 6 weken ondergaan
ze een gedaanteverwisseling, waarbij een van hun ogen naar de
andere kant groeit en ze zich tot platvis
ontwikkelen.
Leefwijze:
Houd van zouthoudend en koel
water.
Komt niet in brak water voor.
Voorkeur voor een bodem van klei en zand, vanaf strand tot een
diepte van 200 meter.
De volwassen schol is te vinden in dieptes van 10 tot 50 meter,
jonge dieren doorgaans in ondieper water.
De schol is voor wat betreft zijn uiterlijk snel te verwisselen
met de bot.
Op een wat latere leeftijd hoeft er echter van vergissing geen
spraken te zijn.
De Schol wordt o.a. meer dan 2,5 maal zo groot , de staart is
rond aan het einde en er bevinden zich op latere leeftijd
opvallende oranjerode vlekken op de 'bovenkant' van zijn
lichaam. En de huid is glad.
De schol is, zoals zijn lichaam al doet vermoeden een
bodembewoner.
Hij zwemt graag over uitgestrekte bodems met een zacht
oppervlakte.
Hierin vindt hij een uitstekende schuilplaats door opgewaaierd
zand en slib op zijn lichaam te laten belanden. Hij graaft zich
als het ware in.
De jonge exemplaren, die moeilijk zijn te onderscheiden van
andere platvissen, leven veelal dicht bij de oever op ondiepe
plaatsen.
De grotere en dus oudere exemplaren tref je vooral als je naar
diepere gedeeltes op de zandplaten je duikgeluk
beproeft.
Voortplanting::
Paaitijd begint in januari- februari
en eindigt soms pas in juni.
Dan leggen de vrouwtjes zo'n half miljoen eitjes. Jonge
scholletjes worden geboren in de Noordzee, maar brengen hun
eerste levensjaren door in de Waddenzee en het aangrenzende
kustgebied. Ze zoeken hun voedsel vooral tijdens hoogwater op
de ondergelopen platen, waar ze allerlei bodemdieren eten.
Eerstejaars scholletjes hebben het vooral voorzien op de sifo's
(in- en uitstroombuisjes) van nonnetjes. Later schakelen ze
over op de wat minder gemakkelijk te grijpen staartstukken van
zeepieren. Na drie jaar, als de schol een lengte van zo'n
twintig centimeter heeft bereikt, verlaat deze de Waddenzee om
zijn verdere leven in de Noordzee door te brengen.
Belangrijkste paaigebieden liggen voor de Nederlands-Belgische
kust, Engelse oostkust, ten noordwesten van Helgoland en in het
Kattegat.
Om de eitjes vrij in het water te kunnen laten zweven is een
zoutgehalte van 12% noodzakelijk. Bij een lage zoutgehalte
zinken de eitjes te snel en wordt het kuit onvoldoende
bevrucht.
Na het uitkomen van de eieren komen de jonge scholletjes
terecht in de getijdengebieden, waar zij, gebruik makend van
het grote voedselaanbod, opgroeien tot volwassen vis.
Afhankelijk van de water temperatuur duurt de ontwikkeling 10
tot 40 dagen. .
Groei:
De groei van de schol hangt sterk af
van de temperatuur , voedselaanbod en de hoeveelheid
soortgenoten.
Vb een vrouwtjesschol in de Barentsz-zee heeft 13 jaar nodig om
geslachtsrijp te worden.
Paaiplaatsen en kinderkamers van de schol in het
Noordzeegebied; totale verspreiding in de Noordelijke
Atlantische oceaan. Vangtijden en plaatsen Schol:
De meeste kans heeft een sportvisser
op druilerige dagen met veel wind en na de inval van de
schemering. De schol komt onder andere veel voor in de
Atlantische Oceaan, bijvoorbeeld de Noordzee, de Oostzee en het
westelijke deel van de Middellandse Zee. De vis leeft vooral
veel op de bodem van de zee en niet ver van de kust. Hij voedt
zich voornamelijk met weekdieren en wormen.
Van begin mei tot eind juli komen langs onze kust de grootste
schollen aan de haak.
Een echte voorjaarsvis en liefhebber van zout en helder water
met een zanderige bodem. Een zichtjager die je met versierselen
als kraaltjes aan je onderlijn kan verleiden. Houdt van matig
tot diep water. Vooral zandplaten en steil aflopende
zandstranden genieten de voorkeur. Net als de schar bijna niet
te vangen in overgangsgebieden van zoet naar zout water. Een
verse steek- of kweekzager is echt het beste aas voor deze
schol. De beste vangstperiode is vanaf mei tot in
september.
Extra:
Als onderlijn kan je rode plastic
afhouders (kant en klaar te koop in de viswinkel) gebruiken met
een kort haaklijntje van een cm. Of 20/25 met een haakje 6 er
aan. Een wapperlijn of jojo lijn werkt hier ook.
In de Noordzee is de schol echter overbevist en is beneden het
biologisch veilige niveau geraakt. Hoewel de visquota naar
beneden zijn bijgesteld, is de visserijdruk nog steeds te hoog
en hebben de maatregelen nog niet geleid tot herstel. De
gemiddelde lengte van de aangevoerde schol is de afgelopen
jaren gedaald. De schol is meestal nog maar net boven de
minimummaat van 27 cm, terwijl in IJsland de schol tussen de 35
en 40 cm is.
Voor vrouwtjes geldt bovendien een gesloten tijd van 16
december tot en met 30 april.
Van de totale hoeveelheid schol die de Nederlandse
boomkorschepen op de Noordzee opvissen, komt 80 tot 90% uit de
kustzone van Texel tot Denemarken. Op de noordelijke Noordzee
zwemt de resterende 10 tot 20%, die vooral afkomstig is uit het
Deense deel van de kinderkamer. Ontwikkelingen in de scholstand:
Verspreiding van schol:
|