Bot
(Platichthys flesus)
Taxonomische
indeling:
Rijk:Animalia (Dieren)
Stam:Chordata (Chordadieren)
Klasse:Actinopterygii (Straalvinnigen)
Orde:Pleuronectiformes
Familie:Pleuronectidae
Geslacht:Platichthys
Voedingswaarde per 100 g:
Energie 321 kJ / 77 kcal
Eiwitten 16,0 g
Vetstof 0,7 g
De bot (Platichthys flesus) is een platvis
die in de wateren van de Benelux inheems is.
Algemeen:
De bot is nauw verwant aan de schol, met het uiterlijke
verschil dat er nauwelijks duidelijke vlekken op de (donkere)
bovenzijde van de vis te zien zijn. De bot heeft ook een dikker
lichaam dan de schol en het vlees is fijner van structuur. De
bot kan een lengte van 60cm bereiken. De vis voelt opvallend
ruw aan als men over de "bovenkant" in de richting van de kop
strijkt.
Ecologische betekenis:
De bot komt voor in zoet, brak maar ook in zout water; hij
wordt tot in Bazel gevangen!
Met de nieuwe spuisluizen die in het IJsemmer geplaatst gaan
worden, zal het aantal botten in zoet water alleen nog maar
toenemen. De bot zet zijn eieren af in zee.Het voedsel van de
bot bestaat vooral uit garnalen.
Kenmerk:
De basiskleur wisselt van bruingrijs, via groen tot geel en
talloze onregelmatige lichtere vlekken
verdelen zich over de gehele bovenzijde. Ongeveer 2/3 van de
vissen is rechts zijdig, 1/3 is
links. Aan de stekelachtige wratten en aan de staartvin is de
bot te onderscheiden van zijn soortgenoten platvis.
De bot staat bekent als eigenzinnige vis. Een meester in
camouflage!
Leefwijze:
De bot houd van zanderige grond en de getijdenwateren tot een
diepte van 20 meter.
In de zomer verblijft bot graag in het brakke water voor
riviermondingen, lagunes en fjorden.
Zodra het kouder wordt, verlaten de meeste het ondiepe water en
trekken de zee in naar warmere en meer zouthoudende
gebieden.
Voortplanting:
Van februari tot mei paait de bot op een diepte van 20 tot 40
meter. Bij gunstige watertemperaturen komen de eitjes al na 5
dagen uit. Nog voor de gehele verandering tot platvis is
afgerond, gaan de jonge vissen op de bodem leven. In grote
scholen trekken ze naar de ondiepe kustwateren en
riviermondingen.
Vangseizoen en plaatsen: Bot wordt het
gehele jaar door gevangen. Echter de kansen op bot zijn in de
zomer maanden beter.
Net als andere platvis is de bot vooral s`nachts actief.
Strandvissers hebben de beste kansen in de
vond- en vooral ochtendschemering. Diepe riviermondingen zijn
excellente visplekken. Hier kunnen de gehele dag goede vangsten
worden verwacht.
Waar en wanneer:
De gehele Waddenzee. Ook op de Noord-Hollandse stranden en
golfbrekers is hij goed te vangen.
Hetzelfde geldt voor de pieren van IJmuiden, al heb je daar
soms ineens perioden met veel bot.
Ook verder naar beneden tot aan Hoek van Holland is altijd wel
wat bot te vangen, vooral vlak langs
de golfbrekers en in de muien en zwinnen voor het strand. Men
kan bot vangen op zowel een zandbodem als op klei- en
slikgrond. De Nieuwe Waterweg is een uitstekende stek, met name
de Rozenburgse kant en de oever tussen Maassluis tot even
voorbij de Stormvloedkering. Op de Maasvlakte is de monding van
de Nieuwe Waterweg soms een hotspot en dat geldt ook voor de
Slufterdam.
Topstekken voor grote botten zijn het strand van Rockanje, de
Brouwersdam en de zeedijk van de
Westerschelde tussen Ellewoutsdijk en Ritthem. Bot is het
gehele jaar vangbaar, maar voor- en najaar zijn veruit
favoriet. In oktober en november eet de bot zich nog even flink
vol in het ondiepe kustwater, voor hij naar de diepe Noordzee
trekt. Hetzelfde doet hij in april en mei wanneer hij afgepaaid
en mager weer onder de kust op krachten moet komen. Bot is het
meest actief in stromend water en dat betekent, afhankelijk van
de stek waar men vist, opkomend en in mindere mate afgaand
water.
Hengel:
Bot is een van de weinige vissen die aan alle mogelijke soorten
hengels kan worden gevangen.
Van de gewone standaard zeehengel en de zeepicker, tot de
spinhengel en zelfs de dobber-matchhengel en de vliegenlat. Dat
komt omdat hij vaak al op kniediep water zwemt. De meeste
zeevissers vissen met een gewone strandhengel van ongeveer vier
meter of iets langer. Met een middelzware spinhengel of lichte
karperhengel kan je vanaf strand, dijk of golfbreker echter net
zo goed uit de voeten, zij het dat die minder geschikt zijn op
pieren en havenhoofden met dikwijls grote betonblokken.
Hoe lichter men kan vissen, hoe leuker het vissen op bot is.
Vlak voor de kant onderneemt de bot
tijdens het binnenhalen wel eens pogingen te duiken. En dan is
het natuurlijk aanpoten geblazen.
Aan de waddenkust, waar voornamelijk op bot wordt gevist, is
een lichte tot middelzware zeehengel
voor werpgewichten van 75 tot 100 gram ideaal. Elders langs de
kust waar het bovendien sterker kan stromen, vist men veelal
met wat zwaardere hengels, die voor eigenlijk alle vissoorten
geschikt zijn.
Onderlijn:
Bot laat zich aan alle mogelijke onderlijnen vangen, maar het
bekendst is toch de paternoster voorzien van twee of drie bij
voorkeur rode bezemafhouders en daaraan evenzoveel
platvishaken.
Ook de dwarrellijn/wapperlijn doen het vaak goed in sterk
stromend water. Is het laatste het geval,
dan kan men kiezen voor ankerlood. Maar heeft men de ruimte en
geen buren, dan kan een rollood voor wonderen zorgen. Juist
zo'n voorbijschuivende prooi prikkelt de bot buitengewoon.
Dat veel botvissers daarom ook nog eens de haaklijnen van hun
paternoster bekleden met allerlei
bonte kralen en andere blikvangers is niet zo
verwonderlijk.
Aas:
Bot is een felle, actieve rover en is aan vele aassoorten te
vangen. Zeepieren en zagers zijn veruit
de meest gebruikte aassoorten, maar absoluut topaas zijn witte
slijkzagers (witjes) .
Op de Waddenzee vist men graag met verse of diepgevroren
spiering en verder vangt men soms grote bot aan mesheften,
franse tappen, zeebliek, steurkrab en kunstaas in de vorm van
kleine lepeltjes, spinners, twisters enz.
Nog altijd beroemd is de Iwan Garay Botlepel, een soort
glimmende schoenlepel, die je over de bodem trekt en waarachter
een haak zwabbert, die wordt beaasd met zeepier of zager.
Extra:
Intussen zijn in meerdere landen minimummaten en gesloten tijd
ingevoerd, want ook voor bot geldt dat overbevissing dreigt. In
de meeste wateren geldt een minimumlengte van 20 cm.
In de Oostzee is bovendien een verbod op vangen van
vrouwtjesbot van 1 december tot en met 30
april. Nu mag de vangst van een bot als niets bijzonders worden
gekenmerkt, de bot zelf is echter wel
degelijk een bijzondere vissoort. Bot is bijvoorbeeld een van
de weinige zeevissen die zonder problemen het zoete water
opzwemt. Niet zomaar een stukje de riviermonding in of eventjes
heen en weer door de sluizen in de Afsluitdijk.
Nee, botten treffen we zelfs in de Veluwe randmeren en in de
Rijn tot voorbij Basel aan. Waarom sommige botten het zoete
water opzoeken is niet bekend, in ieder geval niet zoals de
zalm om te paaien, dat doen ze namelijk alleen in het zoute
water. Wel is de bot een vissoort die overal een maaltje bij
elkaar weet te scharrelen, dus ook in het zoete water. Kijken
we naar de menukaart van de bot, dan valt op dat deze
behoorlijk gevarieerd is. Naast bodemdieren zoals wormachtige,
garnalen, vlokreeften en (in het zoete water) muggenlarven,
wordt ook vis gegeten. Vooral grotere botten ontpoppen zich
soms als echte roofvissen, die zelfs in de bovenste waterlagen
jacht maken op spiering, bliek en andere kleine
prooivissen.
De bot heeft een voorkeur voor de ondiepe kustzones. Zelfs
volwassen botten voelen zich thuis in kniediep water.
Het verspreidingsgebied van de bot strekt zich uit van de Finse
Golf, de Oostzee, de Noordzee, Atlantische Oceaan tot zelfs de
Zwarte Zee. Het liefdesleven van de bot speelt zich af in de
winter en het vroege voorjaar.
De bot die wij in onze kustwateren vangen, paait in de
zuidelijke Noordzee op dieptes tussen de 20 en de 50 meter.
Wanneer de botjes uit het ei komen, zien ze er, net als alle
andere jonge platvisjes, uit als gewone vissen.
In deze eerste levensfase zijn het ook nog geen bodemvissen,
maar voeden ze zich op half water met dierlijk plankton.
Na enkele weken zoeken ze het ondiepe water op en begint
langzaam maar zeker de bijzondere verandering van 'normale' vis
naar platvis. De bot staat bekend als een snelle groeier en kan
in drie tot vier jaar uitgroeien tot een lengte van 30 cm. De
maximale lengte bedraagt waarschijnlijk zo'n 60 cm.
Dergelijke reuzenbotten zijn ongeveer negen jaar oud en daarmee
hoogbejaard.
De wettelijke minimummaat is 20 cm. Voor de zeehengelaar is het
verder nog interessant te weten dat bot vaak in schooltjes
zwemt. Botten in zo'n schooltje die andere botten zien eten,
worden zelf ook vaak actief.
De vangst van een bot wordt daardoor vaak gevolgd door meerdere
exemplaren. De bot betekent voor velen het begin van een
zeeviscarrière. Bot is immers makkelijk te vangen en komt
overal voor.
Bovendien is de bot samen met de zeedonderpad de laatste die
tijdens een strenge winter het ondiepe ijskoude kustwater
ontvlucht. Culinair gezien wordt de bot door velen verguisd,
maar dat is niet altijd terecht.
Is de vis groot, dan fileert men hem en worden de filets
gebakken of gefrituurd.
|